De Belastingdienst hanteert een gestandaardiseerde werkwijze die erop neerkomt dat importeurs van gebruikte voertuigen worden gedwongen een duurdere aangiftemethode te hanteren dan de methode waarvoor zij op grond van de wet hebben gekozen. De gronden die daarvoor worden aangevoerd zijn steeds dezelfde: het schadepercentage klopt niet, de koerslijst is onvolledig, de referentievoertuigen kloppen niet. Geen van die gronden is onderbouwd met eigen onderzoek. Geen van die gronden leidt tot een voor bezwaar vatbare beschikking. Het is informele druk, buiten de wet om.
De juridische werkelijkheid is een andere. Artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verbiedt lidstaten om op ingevoerde producten een hogere belasting te heffen dan op vergelijkbare binnenlandse producten. Dit is primair EU-recht. Het heeft rechtstreekse werking. Het gaat voor op elke nationale wet, elke uitvoeringsregeling en elk beleidsbesluit. Altijd.
Een uitvoeringsregeling die belastingplichtigen dwingt een methode te gebruiken die structureel tot hogere uitkomsten leidt dan de werkelijke marktwaarde van het voertuig, is in strijd met artikel 110 VWEU. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:440) bevestigd dat de inspecteur uit eigen beweging had moeten onderkennen dat zijn berekening in strijd was met EU-recht. Niet de belastingplichtige had dat moeten aantonen. De inspecteur had dat zelf moeten doen.
Nederland heeft bij het Hof van Justitie van de Europese Unie tientallen BPM-procedures verloren. De kern van al die zaken is dezelfde: de BPM-systematiek leidt structureel tot overkill bij de heffing op ingevoerde tweedehands voertuigen. Desondanks wordt de druk op belastingplichtigen opgevoerd in plaats van verminderd.
Op 18 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in drie uitspraken (ECLI:NL:RVS:2026:1320, 1321 en 1322) geoordeeld dat de RDW niet automatisch de hoogste CO2-waarde uit een meetbandbreedte mag registreren wanneer geen exacte waarde beschikbaar is. De Afdeling stelde vast dat dit handelen in strijd is met het Europese systeem van typegoedkeuring. Het belang voor de BPM-praktijk is direct: een te hoge CO2-registratie leidt immers tot een hogere BPM-grondslag op het ingevoerde voertuig dan rust op vergelijkbare binnenlandse voertuigen met de correcte CO2-waarde. Daarmee is de verbinding met artikel 110 VWEU onmiddellijk gelegd.
ROTA is van mening dat deze praktijk niet alleen onrechtmatig is jegens de individuele belastingplichtige, maar ook een structurele schending vormt van artikel 110 VWEU door het Koninkrijk der Nederlanden als lidstaat van de Europese Unie. Elke belastingplichtige die gedwongen wordt tot gebruik van de forfaitaire tabel of de koerslijst terwijl hij recht heeft op de taxatiemethode, is een slachtoffer van die schending. En elke klacht die bij de Europese Commissie wordt ingediend, vergroot de kans dat Nederland formeel ter verantwoording wordt geroepen.