Begin bij het fundament. De wetgever van de Wegenverkeerswet 1994 dacht uitsluitend in besluiten met rechtsbescherming. De weigeringsgronden voor het kentekenbewijs zijn volgens de memorie van toelichting “limitatief”, een weigering is schriftelijk en gemotiveerd, en er staat beroep tegen open. Zelfs voor het oordeel van Financiën over de verschuldigde belasting gold: dat mondt uit in een besluit, met beroep, en met een ventiel voor de aanvrager te goeder trouw. Zo is het stelsel gebouwd. Een blokkade zonder besluit past er niet in; zij heeft er nooit in gepast.
Poging één, 2010.
De dienst houdt het fiscaal akkoord op, maar legt daarnaast een naheffingsaanslag op. Er is dus een besluit, de belanghebbende stapt naar de rechter, en de Hoge Raad zet in 2013 het kader neer dat alles daarna beheerst: de wettelijke bepalingen voorzien er “slechts” in dat de registratie wordt geweigerd bij het uitblijven van aangifte en voldoening, en wie meent dat te weinig is aangegeven kan naheffen, ook vóór de registratie. Vertaald: blokkeren zonder besluit kan niet, naheffen kan wel. De rechtmatige route lag er vanaf dat moment kant en klaar.
Poging twee, 2018.
Diverse back-offices nemen aangiften simpelweg niet in behandeling zolang een RDW-werkorder ontbreekt. Geen betaalbericht, dus geen betaling, dus geen akkoord. Er wordt telefonisch geweigerd, er wordt via anonieme mailadressen afgehouden. Het houdt vier maanden stand. Op een klacht volgt in augustus 2018 een gegrondverklaring van de dienst zelf, met excuses en een toezegging: voortaan wordt een betaalbericht uitgereikt zodra aangifte wordt gedaan. En, veelzeggend detail: in diezelfde brief beroept de dienst zich zelf op het arrest van 2013 voor de stelling dat vóór registratie mag worden nageheven. De dienst kende de rechtmatige route dus niet alleen, hij wees haar zelf aan.
2019, de erkenning op papier.
De toezegging landt in de interne werkinstructie, en daar staat dan ook de zin die deze hele geschiedenis samenvat: “De aangifte weigeren en niet in behandeling nemen is vanuit formeelrechtelijk oogpunt niet mogelijk.” De dienst schreef het zelf op. Maar op dezelfde pagina van diezelfde instructie verhuist de blokkade naar de volgende schakel: het betaalbericht gaat voortaan netjes “direct” de deur uit, en het fiscaal akkoord blijft achterwege zolang “naar het oordeel van de medewerker” niet genoeg is betaald. In december 2019 waarschuwt de importbranche het ministerie al, in een overleg waar ook ROTA aan tafel zat, dat dit ophouden geen stand gaat houden.
Poging drie, 2022.
De blokkade wordt gelegaliseerd, althans, dat was de bedoeling. Er komt een bepaling in de Uitvoeringsregeling bpm die het ophouden van het fiscaal akkoord regelt, en de eigen toelichting van de regelgever is glashelder over de volgorde: hoofdregel is akkoord zodra de aangegeven bpm is betaald, en bij een onjuiste aangifte “legt [de inspecteur] eerst een naheffingsaanslag op”. Het besluit blijft dus bestanddeel; de rechter blijft bereikbaar. Interessanter nog is wat de staatssecretaris in 2023 aan de Kamer schrijft over het doel van de maatregel: “Dit voorkomt dat gebruik gemaakt kan worden van het systeem van voldoening van een zelf berekend (te laag) bpm-bedrag op aangifte waarna een kenteken wordt afgegeven.” Lees die zin twee keer. Het systeem van voldoening op aangifte is het systeem waaraan de wet de énige rechtsingang in bpm-zaken koppelt. Het doel is opgeschreven, en het is het afsluiten van die ingang. Tot en met 2025 houdt de uitvoering zich niettemin aan de eigen regel: in kennisgevingen noemt de dienst de bepaling zelf als grondslag, mét de aanslag-eerst-volgorde erbij geciteerd, en de werkwijze-instructie van april 2025 koppelt het vrijgeven van het akkoord aan de betaling van de aanslag.
Poging vier, 2026.
En dan, medio juni 2026, verschijnt het bericht “Uw aangifte BPM”. De aangifte is “onjuist”. Zij “kan niet worden gebruikt voor de betaling”. Er komt geen fiscaal akkoord. Een nieuwe aangifte kan uitsluitend op de forfaitaire tabel of een koerslijst; een nieuw taxatierapport is volgens het bericht zelf “niet meer mogelijk”. En: “Deze kennisgeving is geen voor bezwaar vatbare beschikking.” Geen naheffingsaanslag, geen termijn, geen rechtsmiddel, en op een enkele uitzondering na geen ondertekenaar met naam. Alles wat de vorige varianten overeind hield, is geschrapt. Wat overblijft is het gevolg van een weigering zonder dat ergens een weigering is genomen.
De feitelijke volgorde van dat voorjaar verdient vermelding. Op 18 mei 2026 vernietigde de rechtbank Zeeland-West-Brabant een uitspraak op bezwaar van deze dienst omdat niet viel vast te stellen wie het besluit had genomen; kennisgevingen bleken op naam te zijn gezet van een functionaris die er feitelijk niet bij betrokken was. Enkele weken later verschenen de eerste anoniem ondertekende berichten “onjuiste aangifte”, zonder besluit waaraan nog een mandaatgebrek kán kleven. Wij stellen de volgorde vast; de lezer mag haar wegen.
Wie, of wat, oordeelt hier eigenlijk?
In 2019 lag het oordeel nog aanwijsbaar bij een medewerker. Onder het bericht van 2026 staat meestal niemand. Geen naam, geen criteria, geen motivering die de kwalificatie “onjuist” draagt. Ondertussen staat in het Algoritmeregister van de overheid onder nummer 75246482 een registratie voor een weegmodule, “BPM Wegenrisico’s”, die wordt ingezet bij de behandeling van bpm-aangiften. Of die module het oordeel feitelijk velt, wil de dienst niet zeggen; de vraag ligt er, via Woo-verzoeken en in elke sommatiebrief, en het antwoord blijft uit. Maar de vraag snijdt twee kanten op, en beide zijn voor de dienst slecht. Is er wél een menselijk oordeel, dan is het niet kenbaar en niet gemotiveerd, en een oordeel zonder kenbare beoordelaar kan het wettelijke “blijken” niet dragen. Komt het oordeel uit de machine, dan wordt een rechtsgevolg dat de wet aan “blijken” koppelt in werking gezet door geautomatiseerde selectie op criteria die niemand kent, zonder besluit en zonder rechter. Een aangifte “onjuist” verklaren zonder dat iemand wil zeggen wie dat vindt en waarom: dat is geen belastingheffing meer, dat is een orakel met een postbusnummer.
De weegmodule staat in het Algoritmeregister van de overheid
Registratie 75246482, “Belasting van personenauto’s en motorrijwielen - Wegenrisico’s”, van de Belastingdienst. Publicatiecategorie: impactvol algoritme. Status: in gebruik. Bij Impacttoetsen staat “veld niet ingevuld”. Laatst gewijzigd op 4 december 2024.
En het is ook een handelsbelemmering.
Verlies in dit alles niet uit het oog wat er feitelijk stilstaat: een legaal in een andere lidstaat gekocht voertuig, waarvoor aangifte is gedaan en waarvan de eigenaar de belasting wil betalen. Zolang het bericht “onjuist” boven de aanvraag hangt, komt er geen kenteken, en zonder kenteken is het voertuig onverkoopbaar en onbruikbaar. Een administratieve praktijk die ingevoerde voertuigen zonder besluit van registratie afhoudt, raakt daarmee niet alleen de rechtsbescherming maar het vrije verkeer van goederen zelf. Het tegenbewijsrecht dat artikel 110 VWEU vereist, wordt feitelijk afgenomen: de enige uitweg is een forfaitaire heffing die de individuele staat van het voertuig per definitie negeert. Bij de Europese Commissie loopt hierover al een klacht (DG TAXUD, CPLT(2025)00483), en ROTA bouwt daarnaast een tweede dossier op waarin deze registratieblokkade wordt aangekaart als maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking. Nederland mag import belasten; Nederland mag import niet zonder besluit tegenhouden.
De rode draad.
Zestien jaar lang is elke poging om de voldoening op aangifte te blokkeren gestrand, teruggedraaid of aan een aanslag gebonden, omdat het stelsel maar één uitkomst toestaat: wie wil blokkeren, moet besluiten, en wie besluit, komt de rechter tegen. De variant van 2026 is geen nieuwe juridische vondst. Het is de oude praktijk minus het besluit, en daarmee minus de rechter. Dat maakt haar niet sterker dan haar voorgangers, maar zwakker: zij staat buiten de eigen regelgeving, buiten de eigen toelichting, buiten de eigen werkinstructie en buiten de eigen kennisgevingspraktijk, die in dezelfde maand juni 2026 voor identieke taxatiegeschillen gewoon nog naheffingsaanslagen met bezwaarclausule produceerde. De dienst weet hoe het moet. Hij doet het alleen niet bij iedereen.
Wie zo’n bericht heeft ontvangen, hoeft er niet in te berusten. Op de pagina Aangifte onjuist verklaard staat de volledige uitleg, met twee instrumenten die de besluitloze toestand doorbreken: de sommatiebrief aan de inspecteur, die binnen twee weken fiscaal akkoord of een voor bezwaar vatbare beschikking eist, en de ingebrekestelling aan de RDW, die via de Algemene wet bestuursrecht een besluit op de inschrijvingsaanvraag afdwingt, met een dwangsom op elke dag stilte. Zestien jaar geschiedenis leert: zodra er een besluit ligt, is deze praktijk nog nooit overeind gebleven.