Stand 10-10-2026

De Uitvoeringsregeling BPM legt de lat voor elk taxatierapport

Een taxatierapport mag de BPM alleen verlagen als het voldoet aan de Uitvoeringsregeling BPM (UR) en Bijlage I daarbij. Deze pagina zet op een rij wat de UR van u als BPM-taxateur vraagt, hoe u ernaar handelt en wat er aankomt. Onderaan staat de volledige geldende tekst, doorzoekbaar.

In een oogopslag

  1. De wet opent de deur, de UR bepaalt de voorwaarden. Artikel 10 lid 7 Wet BPM staat de taxatiemethode toe. Artikel 8 lid 3 en lid 4 UR en Bijlage I zeggen wanneer een rapport daarvoor deugt.
  2. Het rapport moet kloppen op het moment van de aangifte. Repareren in bezwaar of beroep met een later rapport kan niet (Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2025:1472).
  3. De opname is fysiek en tijdig. Door een onafhankelijke, erkende taxateur, ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment.
  4. Elke schadepost krijgt twee verklaringen. Is het meer dan normale gebruiksschade, en voldoet de auto voor deze post aan hoofdstuk 5 of 7 van de Regeling voertuigen (Bijlage I, onderdeel 2.4).
  5. De controle is strenger geworden. Sinds juni 2026 loopt de Pilot Taxatie (PTX) van de Belastingdienst, gericht op de wettelijke eisen aan taxatierapporten.

Wat de Uitvoeringsregeling BPM is

De UR is een ministeriële regeling van de Staatssecretaris van Financiën onder de Wet BPM 1992. Waar de wet zegt dat een taxatierapport moet voldoen aan "bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden", vult de UR die voorwaarden in. De officiële naam is Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (BWBR0005813). De tekst die nu geldt, is van kracht sinds 01-01-2026.

Voor de BPM-taxateur tellen drie onderdelen:

  • Artikel 8 lid 3: de taxatiewaarde mag alleen worden gebruikt als de auto voldoet aan de eisen van hoofdstuk 5 en 7 van de Regeling voertuigen. Daaraan is in ieder geval niet voldaan als dat "blijkt uit de aangifte, het taxatierapport" of bij het tonen van de auto. Uw eigen rapport kan dus het bewijs zijn dat de taxatiemethode niet mag.
  • Artikel 8 lid 4 onder b: het rapport is opgemaakt volgens Bijlage I, door een onafhankelijke, erkende taxateur, en de fysieke opname vond plaats ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment.
  • Bijlage I: wat er in het rapport moet staan, van de gegevens van de taxateur tot de inkoopfactuur.

De UR wordt meestal eens per jaar gewijzigd, in december, met ingang van 1 januari. Dat gebeurt vaak via de Eindejaarsregeling in de Staatscourant.

De keten van regels loopt van wet naar rapport

RegelWat er staat
Art. 10 lid 2 Wet BPMHet afschrijvingsmoment is het tijdstip waarop het RDW-onderzoek dat tot de inschrijving leidt is afgerond.
Art. 10 lid 7 Wet BPMAfschrijving met de taxatiewaarde uit een taxatierapport dat voldoet aan voorwaarden bij ministeriële regeling, als de auto op dat moment (a) meer dan normale gebruiksschade heeft of niet in een koerslijst voorkomt, en (b) voldoet aan de eisen waardoor hij op de weg mag rijden.
Art. 10 lid 8 Wet BPMBij de aangifte geeft u de gegevens op waarmee de afschrijving is bepaald. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt en ook niet op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen later niet alsnog worden gebruikt om de afschrijving te wijzigen.
Art. 8 lid 3 URAlleen taxatiewaarde als de auto voldoet aan hoofdstuk 5 en 7 Regeling voertuigen.
Art. 8 lid 4 URRapport volgens Bijlage I, onafhankelijke en erkende taxateur, opname ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment.
Bijlage I URDe inhoud van het rapport, onderdeel 1.1 tot en met 3.6.

De Hoge Raad trekt daar de conclusie uit dat het rapport bij de aangifte op orde moet zijn:

"Toepassing van de taxatiemethode kan volgens de Wet alleen aan de orde zijn wanneer de belastingplichtige al bij het doen van de aangifte voor die methode heeft gekozen, onder overlegging van een taxatierapport dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling en bijlage I bij de Uitvoeringsregeling."

Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4

In dezelfde overweging: een rapport dat niet berust op een fysieke opname voor de registratie "kan namelijk binnen de opzet van de Wet niet dienen" voor de vaststelling van de waarde.

Bijlage I vraagt per onderdeel iets concreets van u

OnderdeelWat de regeling eistWat dat van u vraagt
1.1Naam, voorletters, adres, woonplaats en telefoonnummer van de taxateur die de taxatie feitelijk deed, plus de taxatiebrancheorganisatie; zo nodig ook de bedrijfsgegevens.Wie de auto opnam, ondertekent. Geen rapport op naam van een collega.
1.2Datum, begintijd en eindtijd van de fysieke opname.Echte tijden. De tijdstempels van de foto's vallen binnen dat venster.
1.3Verklaring dat de waarde naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname.Alleen tekenen als u de auto zelf en volledig hebt gezien.
2.1 en 2.2VIN, merk, bouwjaar, model, uitvoering, brandstof, transmissie, vermogen, CO2, datum eerste toelating, massa's en kilometerstand.Overnemen van de auto en de documenten, niet uit het hoofd.
2.3Of de auto bij de opname meer dan normale gebruiksschade heeft of niet in een koerslijst voorkomt, en of hij voldoet aan hoofdstuk 5 of 7 Regeling voertuigen.Beide vragen uitdrukkelijk beantwoorden, voor de auto als geheel.
2.4Per schadepost: is het meer dan normale gebruiksschade, en wordt voldaan aan hoofdstuk 5 of 7 Regeling voertuigen.Dezelfde twee vragen, nu per post. Een post die een essentieel gebrek is, eerst laten herstellen.
2.5Algemene indruk: technische staat, onderstel, carrosserie, interieur en banden.Elk van die vijf benoemen.
2.6Foto's: diagonaal linksvoor en rechtsachter, dashboard met kilometerstand, meeruitvoeringen, accessoires, voorstoelen, chassisnummer, velgen en bandenmaat.Deze set altijd, plus elke schadepost zodat die op de auto is terug te vinden.
3.1Consumentenprijs op de datum van eerste toelating, met apart de standaarduitrusting, accessoires en pakketten.Herleidbaar opbouwen.
3.2 tot 3.4Handelsinkoopwaarde van 3 tot 5 vergelijkbare referentieauto's en een gemotiveerde uitgangswaarde.Referenties kiezen op model, leeftijd, kilometerstand en kenmerken, en de keuze uitleggen.
3.5Waardevermindering door schade is 31% van de getaxeerde herstelkosten, behoudens tegenbewijs. Tegenbewijs mag niet in algemene zin gaan over segment, leeftijd of kilometrage.Hoger dan 31% alleen met concreet, op deze auto toegesneden bewijs in het rapport.
3.6Inkoopfactuur (bij aankoop van een ondernemer) of inkoopverklaring (bij aankoop van een particulier).Bij het rapport, op het moment van de aangifte.

De volledige tekst van elk onderdeel staat onderaan in de doorzoekbare UR.

Zo handelt u als BPM-taxateur, in vier momenten

Wat hieronder staat, volgt rechtstreeks uit de wet, de UR en Bijlage I. Waar rechters van mening verschillen, kiest ROTA de strengste lijn.

1

Voor de opname

  • Is er meer dan normale gebruiksschade, of staat de auto niet in een koerslijst? Zo niet: geen taxatierapport.
  • Plan de opname binnen een maand voor de afronding van het RDW-onderzoek, en niet op of na die dag.
  • Vraag de inkoopfactuur of inkoopverklaring op.
2

Tijdens de opname

  • Noteer datum, begintijd en eindtijd.
  • Maak de fotoset van onderdeel 2.6 en een foto van elke schadepost.
  • Leg per post de plek op de auto vast, zodat een hertaxatie hem terugvindt.
3

Bij het rapport

  • Per schadepost beide verklaringen van onderdeel 2.4.
  • 31% van de herstelkosten, tenzij u concreet tegenbewijs voor deze auto hebt.
  • 3 tot 5 referenties, gemotiveerd. Een verschil met de inkoopprijs uitleggen.
4

Bij de aangifte

  • Bedragen en percentage in rapport en aangifte zijn gelijk.
  • Factuur of inkoopverklaring zit erbij.
  • Wat niet bij de aangifte is gebruikt, kunt u later niet meer inbrengen.

Bij een hertaxatie moet elke post terug te vinden zijn

Bij een hertaxatie loopt DRZ de schadeposten uit het rapport na. Vindt DRZ ze niet, dan volgt een vaste formule. Het Gerechtshof Den Haag gaf die zo weer:

"In het rapport van DRZ is opgenomen dat alle (in het taxatierapport van belanghebbende) opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen of als gebruikersschade kunnen worden aangemerkt."

Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:2865, r.o. 5.2

De Behandelinstructie Naheffen van de Belastingdienst (openbaar via de Woo) noemt drie redenen waarom DRZ geen schade vindt, en het gevolg:

"Bevindt DRZ geen schade: doordat reeds uitgevoerde reparaties hebben plaatsgevonden of de opgevoerde schade door de taxateur wordt gezien als normale gebruiksschade of er zijn essentiële gebreken bevonden aan het motorrijtuig (zie Hoofdstuk 8)."

"Wordt er geen schade bevonden, dan is het niet toegestaan te rekenen met referentiemotorrijtuigen. Reken hierbij ten alle tijden met de koerslijst, tenzij de forfaitaire afschrijvingstabel voordeliger is."

Belastingdienst, Behandelinstructie Naheffen (Woo-besluit)
Reden van DRZWat u per post in het rapport vastlegt
Al hersteldDe schade is er op het moment van de opname, met foto en plek op de auto.
Normale gebruiksschadeEerste verklaring van onderdeel 2.4: meer dan normale gebruiksschade, met een korte reden.
Essentieel gebrekTweede verklaring van onderdeel 2.4: voldoet aan hoofdstuk 5 of 7 Regeling voertuigen. Zo niet, eerst herstellen.

Een rapport dat de staat van de auto niet weergeeft, maakt de aangifte onjuist

Twee uitspraken uit 2026 gebruiken dezelfde zin:

"In beide gevallen (de auto was hetzij hersteld dan wel had dusdanige gebreken, dat deelname aan het verkeer onmogelijk was) is sprake van een onjuiste aangifte."

Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:877, r.o. 5.5, en Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2026:6695, r.o. 4.5

Er is dan geen uitweg. Is de post hersteld, dan geeft het rapport de staat van de auto niet weer. Is hij niet hersteld en is het een essentieel gebrek, dan mag de taxatiemethode niet.

Stand 10-10-2026

Wat er aankomt

Stichting ROTA volgt de officiële publicaties, de Tweede Kamer en internetconsultatie.nl. Komt er een nieuwe of gewijzigde UR aan, dan wordt deze pagina bijgewerkt.

Vastgesteld

Per 01-01-2027 vervallen artikel 2 en 4 UR

Eindejaarsregeling 2024 (Stcrt. 2024, 41523). Het gaat om de laadruimte van bestelauto's en om motorrijwielen; de fiscaliteit sluit dan aan bij de voertuigcategorieën in het kentekenregister. Artikel 8 en Bijlage I veranderen hierdoor niet.

Voornemen

Strengere regels voor koerslijsten en taxatierapporten

Internetconsultatie van 11-04-2025 tot en met 25-05-2025, gesloten. Op 10-10-2026 niet vastgesteld. Voorgesteld: transparantere koerslijsten, de inkoopprijs als mogelijke waarde, en een taxatiewaarde die niet lager mag zijn dan de inkoopprijs tenzij u aantoont waarom dat terecht is.

Voornemen

Waarderingsdiscussies bij taxaties

De staatssecretaris schrijft dat een voorstel zich richt op "beperking van bestaande problematiek binnen de BPM, in het bijzonder de waarderingsdiscussies bij taxaties". De mogelijkheden worden ambtelijk verkend; de Kamer wordt voor het einde van 2026 geïnformeerd (Kamerbrief van 10-08-2026, aan de Kamer gezonden op 01-09-2026).

Voornemen

Digitalisering van de bpm-aangifte

Met de Kamerbrief van 03-11-2025 ging een conceptregeling digitalisering BPM mee, met uitvoeringstoetsen van Belastingdienst en RDW. Op 10-10-2026 is daarvan geen vastgestelde regeling in de Staatscourant gevonden.

Lopend

Pilot Taxatie (PTX) sinds juni 2026

De Belastingdienst controleert intensiever of taxatierapporten aan de wettelijke vereisten voldoen. Volgens de staatssecretaris werd in de eerste weken gemiddeld ruim € 3.000 aan BPM-vermindering per gecontroleerde aangifte voorkomen. Jaarlijks worden circa 130.000 aangiften BPM met een taxatierapport ingediend.

Verwacht

De UR per 01-01-2027

Een wijziging van de UR verschijnt meestal in december, met de Eindejaarsregeling. Op 10-10-2026 is er geen nieuwe wijziging van artikel 8 of Bijlage I gepubliceerd.

De eisen aan het rapport zijn sinds 2022 stap voor stap aangescherpt

WijzigingsregelingWat er voor de taxateur veranderde
Stcrt. 2021, 48636Geldt sinds 01-01-2022. Artikel 8 lid 3: de auto moet voldoen aan hoofdstuk 5 en 7 Regeling voertuigen, en dat kan blijken uit de aangifte of het taxatierapport. Artikel 8 lid 4 onder b: fysieke opname ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment. Bijlage I: onderdeel 2.3 opnieuw vastgesteld en onderdeel 2.4 (twee verklaringen per schadepost) ingevoegd.
Stcrt. 2022, 33377Artikel 8 lid 4: gegevens die niet in het taxatierapport staan en ook niet door of op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, tellen niet mee voor de taxatiewaarde. Bijlage I: in 1.1 de taxatiebrancheorganisatie in plaats van een certificaatnummer, 3.5 opnieuw vastgesteld (31%, tegenbewijs, niet in algemene zin over segment, leeftijd of kilometrage), en in 3.6 de inkoopverklaring van artikel 4a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
Stcrt. 2023, 34571Artikel 8 lid 8: wat "tonen" van de auto inhoudt (aangewezen opnameplaats, wielen op de grond, zonder vervuiling, sleutel erbij). Bijlage I, 3.5: "inclusief" werd "vermeerderd met" de in Nederland verschuldigde bpm en btw.
Stcrt. 2024, 41523Artikel 2 en 4 vervallen per 01-01-2027 (bestelauto's en motorrijwielen). Geen wijziging voor het taxatierapport.
Stcrt. 2025, 42873Alleen verwijzingen naar de vernummerde leden van artikel 10 Wet BPM aangepast.

Doorzoek de geldende Uitvoeringsregeling BPM

Volledige tekst, geldend vanaf 01-01-2026, uit de officiële bron van wetten.overheid.nl. Typ een woord; alleen de artikelen met een treffer blijven staan.

Artikel 1

1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3, zesde lid, 4, tweede lid, 8, 9, dertiende en veertiende lid, 10, vijfde, zevende en negende lid, 10a, eerste lid, 10c, eerste en derde lid, 14a, vierde en zesde lid, 14b, zevende lid, 15a, zevende en dertiende lid, en 17, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.

2. Deze regeling verstaat onder:

  • a. wet: Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992;
  • b. belasting: belasting van personenauto's en motorrijwielen;
  • c. afschrijvingsmoment: het tijdstip waarop de hoogte van de vermindering, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet, wordt bepaald;
  • d. taxatiewaarde: taxatiewaarde, bedoeld in artikel 10, zevende lid, van de wet.

Artikel 2

1. De laadruimte voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de lengte en de hoogte indien deze in gesloten toestand een rechthoekig, rechtop geplaatst blok kan bevatten waarvan de lengte, de hoogte en de breedte ten minste gelijk zijn aan de in artikel 3 van de wet voor de desbetreffende laadruimte genoemde afmetingen, en waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig. Voor de toepassing van deze bepaling worden, indien de laadruimte niet van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand, de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder in de achterste stand geplaatst. Voor de toepassing van dit lid wordt, ingeval de open laadbak van een motorrijtuig van het type pick-up is voorzien van een al dan niet eenvoudig te demonteren overkapping, de laadruimte in aanmerking genomen met gesloten overkapping, tenzij deze overkapping slechts bestaat uit een platte deksel die direct op de opstaande zijkanten van de laadbak is geplaatst.

2. Het verschil in hoogte tussen de cabine en de laadruimte is de verticale afstand tussen het denkbeeldige horizontale vlak waarin de beide hoogste punten van de dagopening van de deuren bij de voorzitplaatsen zijn gelegen, en het hoogste gedeelte van het dak van de laadruimte, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.

3. De hoogte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de grootste afstand tussen vloer en dak van de cabine, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.

4. De lengte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de evenwijdig aan de lengte-as van het desbetreffende motorrijtuig gemeten afstand tussen het achterste punt van het stuurwiel en de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt.

5. De lengte van de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig.

6. De lengte die de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine zou hebben indien de zitruimte achter de bestuurder zou ontbreken, is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig, en waarbij er voor het nemen van de maat van wordt uitgegaan dat die laadruimte van de cabine is gescheiden door middel van een 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel geplaatste vaste wand.

7. De hoogte van de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, is de afstand tussen het laagste punt van de bovenzijde van de wand en het hoogste punt van de laadvloer.

8. De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, dient verticaal en in een hoek van 90° ten opzichte van de lengte-as te zijn geplaatst en wel:

  • a. indien het motorrijtuig niet is voorzien van een dubbele cabine: ten hoogste 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel;
  • b. indien het motorrijtuig is voorzien van een dubbele cabine: direct achter de achterste zitplaatsen.

9. In afwijking in zoverre van het achtste lid, onderdeel b, wordt, indien een deel van de cabine van een motorrijtuig met dubbele cabine bij de laadruimte wordt betrokken waardoor de vaste wand niet geheel in een hoek van 90° ten opzichte van de lengteas is geplaatst, voor het meten van de afstanden genoemd in dit artikel uitgegaan van de plaats van het meest naar achteren gelegen bevestigingspunt van de aanwezige wand.

10. De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt dient:

  • a. te zijn vervaardigd uit ondoorzichtig en vormvast materiaal, waarbij één of meerdere vaste ramen naast elkaar met een hoogte van maximaal 40 cm zijn toegestaan, alsmede voorzieningen ten behoeve van de veiligheid;
  • b. geheel vlak te zijn;
  • c. uit één geheel of uit diverse op onverbrekelijke wijze met elkaar verbonden delen te bestaan, waarbij voorzieningen zijn toegestaan ten behoeve van:
    • 1°. het aan het motorrijtuig noodzakelijk te plegen onderhoud;
    • 2°. het gebruik van de bestelauto; of
    • 3°. de veiligheid;

mits deze voorzieningen niet groter zijn dan voor het specifieke doel noodzakelijk.

  • d. zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.

11. Een laadruimte is niet voorzien van zijruiten indien de zijruiten geheel zijn verwijderd en zijn vervangen door niet uit glas bestaande panelen uit één stuk van ondoorzichtig en vormvast materiaal. De panelen dienen zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.

12. De laadruimte dient in haar geheel te zijn voorzien van een vaste, vlakke laadvloer. De laadvloer dient zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.

Artikel 3

Vervallen.

Artikel 4

Met motorrijwielen worden gelijkgesteld motorrijtuigen die:

  • a. in het kentekenregister zijn ingeschreven met de aanduiding voertuigcategorie L en de voertuigclassificatie L5e of L7e; of
  • b. voldoen aan de normen geldend voor voertuigcategorie L en de voertuigclassificatie L5e of L7e, genoemd in artikel 4 van en bijlage I bij Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60).

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6

1. De toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet wordt verleend aan een ondernemer die een zodanige administratie voert dat daarin naar het oordeel van de inspecteur op duidelijke en overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de belasting van belang zijnde gegevens zijn opgenomen. De inspecteur kan ter zake nadere voorwaarden en beperkingen stellen, waarbij de toestemming voor gebruikte motorrijtuigen kan worden beperkt tot motorrijtuigen waarvoor de vermindering ingevolge artikel 10, eerste lid, van de wet, wordt vastgesteld op de voet van artikel 10, vijfde lid, van de wet.

2. De administratie dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van de tijdstippen van het afschrijvingsmoment, de inschrijving en de tenaamstelling van ieder motorrijtuig.

3. De inspecteur kan aan degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet is verleend de verplichting opleggen de motorrijtuigen waarvoor inschrijving in het kentekenregister is verzocht, te tonen op een door de inspecteur aan te wijzen plaats. Onder tonen wordt in ieder geval verstaan dat het motorrijtuig wordt geplaatst op de door of namens de inspecteur aangewezen opnameplaats met de wielen op de grond, zonder vervuilingen aan het motorrijtuig die een goede opname in de weg kunnen staan, en dat de sleutel wordt verstrekt om het motorrijtuig te ontsluiten en te starten.

4. Indien niet wordt voldaan aan het in het eerste, tweede of derde lid bepaalde, kan de inspecteur de toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet bij voor bezwaar vatbare beschikking weigeren of intrekken.

Artikel 6a

1. Voor de toepassing van artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wet blijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.

2. Indien de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer niet blijkt uit het kentekenregister blijkt de CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:

  • a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
  • b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;
  • c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-uitstoot is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;
  • d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.

3. De CO2-uitstoot is nihil wanneer uit het kentekenregister blijkt dat de personenauto of bestelauto is ingericht en bestemd om uitsluitend te worden aangedreven door een elektromotor waarbij de elektrische energie uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel wordt geleverd, of door een verbrandingsmotor die kan worden gevoed met waterstof.

Artikel 7

Een motorrijtuig wordt in ieder geval als gebruikt aangemerkt indien dat motorrijtuig 3.000 kilometer of meer heeft afgelegd.

Artikel 8

1. De afschrijving bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet bedraagt met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen of bestelauto’s als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet:

  • 6 percent per maand voor de eerste drie maanden die zijn verstreken na het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst als zodanig in gebruik is genomen; en
  • 2,5 percent voor iedere volgende maand, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.

2. De afschrijving bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, met betrekking tot personenauto's als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de wet bedraagt 1,5 percent per maand die is verstreken na het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst als zodanig in gebruik is genomen, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.

3. De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde worden bepaald indien het motorrijtuig voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, waardoor met het motorrijtuig kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer. Aan deze eisen is in ieder geval niet voldaan indien:

  • voor het motorrijtuig een aantekening in het kentekenregister is of wordt geplaatst dat een verbod voor het rijden op de weg is of wordt opgelegd;
  • voor het motorrijtuig een aantekening in het kentekenregister is of wordt geplaatst dat het motorrijtuig voorgoed buiten gebruik is of wordt gesteld;
  • dat blijkt uit de aangifte, het taxatierapport of op het moment dat het motorrijtuig wordt getoond overeenkomstig het achtste lid; of
  • dat anderszins blijkt.

4. De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde of op basis van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland worden bepaald, indien de opgaaf, bedoeld in artikel 10, achtste lid, van de wet, bestaat uit:

  • a. een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de bij de aangifte toegepaste afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, is ontleend; of
  • b. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:
    • dat is opgemaakt met inachtneming van de voorwaarden opgenomen in bijlage I; en
    • dat is opgemaakt door een onafhankelijke, erkende taxateur, in overeenstemming met het eerste aandachtsstreepje, en waarbij de fysieke opname door de taxateur heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment.

Bij het doen van de opgaaf wordt slechts gebruikgemaakt van de gegevens van niet meer dan één koerslijst als bedoeld onder a. Gegevens die niet zijn opgenomen in een taxatierapport dat is opgemaakt door een onafhankelijke en-, erkende taxateur, of niet door of op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door of namens de belastingplichtige niet worden betrokken bij de taxatiewaarde.

5. Bij toepassing van de artikel 10, vijfde lid en 10a, eerste lid, van de wet is de afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, een percentage van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en derde lid, van de wet, welk percentage is aangegeven in de navolgende tabel. Het vierde lid blijft in dat geval buiten toepassing.

Indien sinds het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen een periode is verstreken van ten minste maar minder dan is het percentage en voor iedere maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken sinds de in de eerste kolom bedoelde periode vermeerderd met
0 dagen1 maand012
1 maand3 maanden124
3 maanden5 maanden203,5
5 maanden9 maanden271,5
9 maanden1 jaar en 6 maanden331
1 jaar en 6 maanden2 jaar en 6 maanden420,75
2 jaar en 6 maanden3 jaar en 6 maanden510,50
3 jaar en 6 maanden4 jaar en 6 maanden570,42
4 jaar en 6 maanden5 jaar en 6 maanden620,42
5 jaar en 6 maanden6 jaar en 6 maanden670,42
6 jaar en 6 maanden7 jaar en 6 maanden720,25
7 jaar en 6 maanden8 jaar en 6 maanden750,25
8 jaar en 6 maanden9 jaar en 6 maanden780,25
9 jaar en 6 maanden810,19

6. Bij toepassing van artikel 10, vijfde lid, van de wet, is de vermindering ten hoogste het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en derde lid, van de wet.

7. In afwijking van het eerste lid en het tweede lid wordt de afschrijving vastgesteld aan de hand van de in het vijfde lid opgenomen tabel, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.

8. De inspecteur kan vanaf het afschrijvingsmoment tot en met uiterlijk de zesde werkdag na de dag van het afschrijvingsmoment besluiten dat het motorrijtuig zo spoedig mogelijk moet worden getoond in dezelfde staat als waarin het motorrijtuig verkeerde op het afschrijvingsmoment op een door de inspecteur aan te wijzen plaats en tijdstip. Indien de betaling van de belasting op aangifte na het afschrijvingsmoment plaatsvindt, kan de inspecteur hiertoe besluiten vanaf het afschrijvingsmoment tot en met uiterlijk de zesde werkdag na de dag waarop de betaling is ontvangen door de ontvanger. Totdat het motorrijtuig is getoond, is niet gebleken dat de ter zake van het motorrijtuig verschuldigde belastingen en rechten zijn voldaan als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994. Onder tonen wordt in ieder geval verstaan dat het motorrijtuig wordt geplaatst op de door of namens de inspecteur aangewezen opnameplaats met de wielen op de grond, zonder vervuilingen aan het motorrijtuig die een goede opname in de weg kunnen staan, en dat de sleutel wordt verstrekt om het motorrijtuig te ontsluiten en te starten.

9. Indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan kennelijk geheel of gedeeltelijk niet is betaald, blijkt in ieder geval niet eerder dan nadat de naheffingsaanslag in zijn geheel is betaald dat de ter zake van het motorrijtuig verschuldigde belastingen en rechten als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn voldaan.

10. De vermindering van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, is een percentage van het belastingbedrag, zoals aangegeven in de tabel opgenomen in het vijfde lid.

Artikel 8a

1. Voor de toepassing van de vermindering van de verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, van de wet, worden bij de voldoening op aangifte van de voor het motorrijtuig verschuldigde belasting op verzoek van de inspecteur nadere gegevens overgelegd die naar zijn oordeel van belang zijn voor een juiste vaststelling van de vermindering.

2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 8d, eerste, tweede en vierde lid, met dien verstande, dat de vermindering wordt vastgesteld aan de hand van de tijdsduur die is verstreken tussen het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen in de hoedanigheid waarin het eerder in de heffing van de belasting is betrokken, en het tijdstip dat bepalend is voor de hoogte van de belasting die voor het motorrijtuig opnieuw is verschuldigd.

3. Ingeval voor het motorrijtuig teruggaaf van de eerder betaalde belasting is verleend, wordt de vermindering alleen toegepast voor zover de eerder teruggegeven belasting op een later tijdstip alsnog als verschuldigde belasting is voldaan.

Artikel 8b

Vervallen

Artikel 8c

Vervallen

Artikel 8d

1. De vermindering van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de wet, is de som van de percentages die ingevolge de navolgende tabel van toepassing zijn voor elke maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken tussen het tijdstip dat bepalend was voor de hoogte van de belasting en het tijdstip waarop de omstandigheid, bedoeld in artikel 14a, eerste of tweede lid, van de wet, zich voordoet, toegepast op het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en derde lid, van de wet.

Indien bij aanvang van een maand een tijdsduur is verstreken sinds het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen van ten minste maar minder dan is het percentage voor die maand
0 dagen1 maand12
1 maand3 maanden4
3 maanden5 maanden3,5
5 maanden9 maanden1,5
9 maanden1 jaar en 6 maanden1
1 jaar en 6 maanden2 jaar en 6 maanden0,75
2 jaar en 6 maanden3 jaar en 6 maanden0,50
3 jaar en 6 maanden4 jaar en 6 maanden0,42
4 jaar en 6 maanden5 jaar en 6 maanden0,42
5 jaar en 6 maanden6 jaar en 6 maanden0,42
6 jaar en 6 maanden7 jaar en 6 maanden0,25
7 jaar en 6 maanden8 jaar en 6 maanden0,25
8 jaar en 6 maanden9 jaar en 6 maanden0,25
9 jaar en 6 maanden0,19

2. Indien sinds het tijdstip van eerste tenaamstelling in het kentekenregister, dan wel indien de belasting is geheven voor een gebruikt motorrijtuig het afschrijvingsmoment minder dan drie maanden zijn verstreken, wordt de vermindering voor een nog niet verstreken maand in afwijking van het eerste lid naar tijdsgelang per dag berekend, waarbij de vermindering per dag wordt gesteld op een dertigste deel van de vermindering voor die maand ingevolge de tabel.

3. De vermindering van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 15a, zevende lid, van de wet, is een percentage van het belastingbedrag, zoals aangegeven in de tabel opgenomen in artikel 8, vijfde lid.

4. Indien de belasting voor een gebruikt motorrijtuig is geheven met toepassing van een andere vermindering dan de vermindering zoals deze voor motorrijtuigen van die leeftijd voortvloeit uit de tabel opgenomen in artikel 8, vijfde lid, wordt de teruggaaf aangepast. Voor de berekening van de teruggaaf wordt daartoe de som van de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk het percentage, bedoeld in het derde lid, toegepast op het resultaat van de volgende formule:

(geheven belasting × 100) / (100 – tabelpercentage)

Daarbij is geheven belasting de belasting die voor dat motorrijtuig met toepassing van die andere vermindering is geheven, en tabelpercentage het percentage dat van toepassing zou zijn geweest indien de belasting zou zijn geheven met toepassing van de vermindering ingevolge de tabel in artikel 8, vijfde lid.

5. Indien degene die om teruggaaf van belasting verzoekt op grond van artikel 14a, eerste of tweede lid, van de wet, ondernemer is als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, niet zijnde een ondernemer als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van die wet, kan de inspecteur goedkeuren dat bij het verzoek de overlegging van de bescheiden, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onderdeel d, onderscheidenlijk artikel 4b, eerste lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, achterwege blijft, onder de voorwaarde dat de ondernemer deze bescheiden bewaart in zijn administratie.

6. Bij een verzoek om teruggaaf van belasting op grond van artikel 14a, tweede lid, van de wet, wordt een kopie van het buitenlandse kentekenbewijs gevoegd.

Artikel 8da

1. Bij een verkorting of verlenging van de overeengekomen periode van terbeschikkingstelling, bedoeld in artikel 14b, tweede lid, van de wet, worden, in geval van een verkorting, bij het verzoek om teruggaaf, dan wel, in geval van een verlenging, bij de voldoening op aangifte, gegevens overgelegd waaruit de voor het motorrijtuig in totaal overeengekomen nieuwe periode van terbeschikkingstelling ondubbelzinnig blijkt. Wanneer de in de eerste volzin bedoelde gegevens niet zijn opgemaakt in de Nederlandse of Engelse taal, wordt een vertaling in één van deze talen bijgevoegd.

2. In het verzoek, dan wel bij de aangifte, bedoeld in het eerste lid, vermeldt degene aan wie het motorrijtuig ter beschikking is gesteld de nieuwe in totaal overeengekomen periode van terbeschikkingstelling en verklaart hij dat overigens geen andere afspraken zijn gemaakt met degene die het motorrijtuig aan hem ter beschikking stelt over de periode waarin het motorrijtuig tot zijn beschikking zal staan.

3. Op verzoek van de inspecteur worden aanvullende gegevens verstrekt die naar zijn oordeel noodzakelijk zijn om de nieuwe periode van terbeschikkingstelling van het motorrijtuig vast te stellen.

Artikel 8e

1. Onder een niet-opvouwbare rolstoel wordt voor de toepassing van artikel 15a van de wet mede verstaan een ander in verband met de handicap noodzakelijk hulpmiddel van een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht, dat de gehandicapte, rekening houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een bestelauto.

2. Onder een bestelauto, ingericht voor het vervoer als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de wet, wordt verstaan een bestelauto die voorzieningen bevat ten behoeve van het vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel of het vervoer van een ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid en het gelijktijdige vervoer van de gehandicapte, zoals voorzieningen voor het met of vanuit een rolstoel of een ander hulpmiddel kunnen plaatsnemen in en verlaten van de bestelauto, voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel in de cabine op de plaats van een zitplaats, en voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel zonder passagier in de laadruimte.

Artikel 9

1. De zekerheid bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet wordt bepaald aan de hand van het bedrag van de belasting dat degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet is verleend gemiddeld per aangiftetijdvak verschuldigd is ter zake van de inschrijving of herinschrijving van motorrijtuigen.

2. De zekerheid bedraagt ten hoogste 100 percent van het in het eerste lid bedoelde bedrag met een maximum van € 9 000 000.

3. Het bedrag van de zekerheid kan door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden gewijzigd.

4. Degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet is verleend kan een verzoek tot verlaging van de zekerheid indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.

2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.

Bijlage I

Het taxatierapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, dient in ieder geval te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • 1. Algemeen
    • 1.1. Van de taxateur, die de taxatie feitelijk heeft verricht, wordt vermeld:
      • a. diens achternaam en voorletters, adres, woonplaats, taxatiebrancheorganisatie waarbij de taxateur is aangesloten en telefoonnummer, en
      • b. – indien van toepassing – de bedrijfsnaam, adres, vestigingsplaats en telefoonnummer.
    • 1.2. De datum, begintijd en eindtijd van de fysieke opname worden vermeld.
    • 1.3. Het taxatierapport is voorzien van een verklaring van de taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname.
  • 2. Voertuigkenmerken
    • 2.1. Het getaxeerde motorrijtuig wordt aangeduid door middel van het voertuigidentificatienummer, bedoeld in artikel 2.1 van de Regeling voertuigen.
    • 2.2. Automerk, bouwjaar, model, type uitvoering, soort brandstof, type transmissie, vermogen (kw/pk) en CO2-uitstoot in gram per kilometer, datum van eerste toelating, toegestane maximum massa, eigen massa en kilometerstand van het getaxeerde motorrijtuig worden vermeld.
    • 2.3. In het rapport wordt opgenomen of op het moment van fysieke opname het motorrijtuig:
      • meer dan normale gebruiksschade heeft of niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland; en
      • voldoet aan alle eisen als bedoeld in de hoofdstukken 5 of 7 van de Regeling voertuigen.
    • 2.4 De taxateur verklaart in het rapport voor iedere schadepost of het meer dan normale gebruiksschade betreft en of wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 of 7 van de Regeling voertuigen.
    • 2.5. De algemene indruk van het getaxeerde motorrijtuig wordt aangegeven en bevat in ieder geval een aanduiding van de kwaliteit van de technische staat, van het onderstel, van de carrosserie, van het interieur en van de banden.
    • 2.6. De opgegeven algemene indruk van het getaxeerde motorrijtuig wordt gestaafd met duidelijk beeldmateriaal bestaande uit overzichtsfoto’s van de buitenkant van het motorrijtuig, diagonaal genomen vanuit de posities linksvoor en rechtsachter, en foto’s van het dashboard inclusief de opgegeven kilometerstand, de meeruitvoeringen, de accessoires, de voorstoelen, het chassisnummer, de velgen en de bandenmaat.
  • 3. Waardebepaling voertuig
    • 3.1. De consumentenprijs van het motorrijtuig op de datum van eerste toelating wordt aangegeven. De consumentenprijs is de netto catalogusprijs inclusief omzetbelasting en belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Tevens wordt afzonderlijk opgenomen de in de consumentenprijs begrepen waarde van de standaarduitrusting, de waarde van de accessoires en de waarde van eventuele pakketten.
    • 3.2. De handelsinkoopwaarde van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen wordt vermeld. De handelsinkoopwaarde van het referentiemotorrijtuig is de door wederverkopers betaalde inkoopprijs voor een gebruikt motorrijtuig bij koop van een niet-wederverkoper (particulier of ondernemer).
    • 3.3. Een referentiemotorrijtuig is een motorrijtuig waarvan het model, de leeftijd, de kilometerstand, normale gebruikschade en andere algemene kenmerken vergelijkbaar zijn met het getaxeerde motorrijtuig. Onder andere kenmerken worden ook begrepen de rijwaardige staat van het motorrijtuig en het feit of voor de omzetbelasting sprake is van een marge-auto of BTW-auto, de mate van courantheid, al dan niet een ex-schade motorrijtuig, kleur, garantierisico, import van buiten de EU.
    • 3.4. Op basis van de handelsinkoopwaarden van de referentiemotorrijtuigen wordt gemotiveerd aangegeven welke waarde als uitgangspunt dient voor het te taxeren motorrijtuig. Indien geen van de referentiemotorrijtuigen 100% overeenkomt met het te taxeren motorrijtuig wordt een gemiddelde waarde van de 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen aangemerkt als handelsinkoopwaarde die gebruikt wordt bij het te taxeren motorrijtuig.
    • 3.5. De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar vermeerderd met de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.
    • 3.6. De inkoopfactuur – in het geval het motorrijtuig is gekocht van een ondernemer – of de inkoopverklaring, bedoeld in artikel 4a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 – in het geval het motorrijtuig is gekocht van een particulier – van het getaxeerde motorrijtuig wordt toegevoegd.

Wat deze pagina niet weet

  • Welke maatregelen het ministerie tegen de waarderingsdiscussies bij taxaties gaat voorstellen. Die zijn nog niet openbaar.
  • Of en wanneer de regels uit de consultatie van 2025 worden vastgesteld.
  • Interne werkinstructies van de Belastingdienst die niet via de Woo openbaar zijn.
  • Uw individuele zaak. Deze pagina is uitleg, geen advies. Bij twijfel over een concreet rapport: neem contact op.

De geciteerde tekst van wet, regeling en uitspraken is letterlijk overgenomen. De kolom "Wat dat van u vraagt", het blok "Zo handelt u als BPM-taxateur" en de tabel bij de hertaxatie geven de lijn van Stichting ROTA weer. Die lijn is op punten strenger dan de regeling zelf.

AITransparantie over AI. De teksten op deze pagina zijn opgesteld met ondersteuning van kunstmatige intelligentie. De inhoud is voor publicatie gecontroleerd en vastgesteld door Stichting ROTA, die er verantwoordelijk voor blijft.