ROTA leden werken vanaf 1 Januari 2019 onder een eigen gedragscode- en sanctiereglement

Klik logo aan voor betreffende pagina

 


 

ROTA taxateurs aan de slag met MOTORcheckUP

bron: www.motorcheckup.net

Onder de naam ROTA gaan onafhankelijke automobiel taxateurs op pad. Dit al ruim 9 jaar met gezamenlijk meer dan 9.000 taxaties per jaar. Om meer onderbouwing en transparantie te geven bij motorschades voeren de taxateurs ook een MOTORcheckUP uit.


 

Ook een WOK auto schrijft af op de BPM (taxatierapport)

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 24 Augustus de uitspraak gedaan, dat een auto met een WOK ook afschrijft op de BPM d.m.v. een TAXATIERAPPORT!


 

Postbussen Belastingdienst verdwijnen bij RDW-keuringsstations

11-9-18 bron: belastingdienst.nl

Vanaf 1 november 2018 verdwijnen de postbussen van de Belastingdienst bij de RDW-keuringsstations. Voortaan verstuurt u uw aangifte per post.

U stuurt uw aangifte mét de gevraagde bijlagen in een voldoende gefrankeerde envelop naar:

Belastingdienst
Postbus 2710
6401 DE  Heerlen

Wij verwerken uw bpm-aangifte geautomatiseerd

De volgorde waarin u de aangiften aanlevert bepaalt de doorlooptijd. U bekort de doorlooptijd door uw gegevens in 1 pakketje aan te bieden in deze volgorde:

  1. formulier ‘Aangifte/melding/opgaaf bpm’
  2. bijlagen bij het aangifteformulier bpm
  3. overige bijlagen zoals factuur, koerslijst, CVO
  4. taxatierapport

Verstuurt u meerdere bpm-aangiften in 1 envelop? Zorg dan dat u de juiste bijlage(n) bij de juiste aangifte voegt.

De RDW verstrekt geen formulier meer met voertuiggegevens voor uw aangifte

Met ingang van 19 september 2018 stuurt de RDW, na goedkeuring van uw voertuig, de voertuiggegevens digitaal door naar de Belastingdienst. Deze krijgt u dus niet meer zelf.

Bij de RDW-keuringsstations liggen flyers met meer informatie over deze nieuwe werkwijze.


 

Terecht extra leeftijdskorting ondanks dat de schade voorafgaand aan de registratie is hersteld

26-01-2018 bron: rechtspraak.nl

Verweerder heeft een beroep op interne compensatie gedaan. Hij stelt dat ten tijde van de registratie geen sprake was
van schade en dat om die reden te weinig BPM op aangifte is voldaan.. Ondanks herstel schade voorafgaand aan registratie recht op extra leeftijdskorting.

Klik hier voor meer informatie

Verweerder heeft een beroep op interne compensatie gedaan. Hij stelt dat ten tijde van de registratie geen sprake was van schade en dat om die reden te weinig BPM op aangifte is voldaan.De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet en verwijst daarvoor mede naar haar uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3691. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, moet ervan worden uitgegaan dat het bedrag van de BPM na de registratie van een auto in gelijke mate daalt als de waarde in het economische verkeer van de referentieauto. Dit brengt mee dat op een zich reeds op de Nederlandse markt bevindende auto met schade wordt geacht een bedrag aan BPM te rusten dat evenredig is verminderd met de waarde in het economische verkeer van de auto. De schade heeft een waardedrukkend effect, en dus in dezelfde mate een verlagend effect op de BPM. Als de onderhavige auto zich al op de Nederlandse markt had bevonden, rustte daarop ten tijde van de aankoop niet meer dan € 7.798 BPM. Als een handelaar een zich op de Nederlandse markt bevindende auto met schade koopt, de schade herstelt en de auto vervolgens op naam stelt, bestaan de kosten voor de handelaar alleen uit de aanschafwaarde van de schadeauto (inclusief een laag bedrag aan BPM) en de herstelkosten. Ook na herstel, ten tijde van de tenaamstelling, rust op de auto nog steeds € 7.798 BPM. Er volgt immers na herstel geen naheffing van BPM. Als de handelaar een identieke auto op de buitenlandse markt koopt, mag de daarop rustende BPM niet hoger uitkomen, omdat anders sprake is van verstoring van de markt. Dat is in strijd met artikel 28 van het VWEU. Daarom dient voor de herstelde auto uitgegaan te worden van hetzelfde, lage bedrag aan BPM, dus rekening houdend met de waardevermindering als gevolg van schade.

Na schade aan uw auto weer de weg op (Beëindiging WOK melding in kentekenregister)

bron: rdw.nl(aanklikbaar!)

“Als de auto is goedgekeurd, beëindigt de RDW de zogenoemde ‘Wachten op keuren’ (WOK)-melding in het kentekenregister. Zodra deze melding is verwijderd in het register mag u weer met de auto rijden, niet eerder.”

Klik hier voor meer informatie

Heeft u een aanrijding met schade gehad of zijn er technische gebreken aan uw voertuig vastgesteld? Dan kan de politie of de verzekeringsmaatschappij een melding in het RDW-kentekenregister laten zetten dat uw auto niet meer op de openbare weg mag rijden. Deze melding heet ‘Wachten op keuren’(WOK). Wat kunt u doen? Keuringsafspraak maken U ontvangt een brief van de RDW dat u niet meer met uw auto op de openbare weg mag rijden totdat de auto is gerepareerd en goedgekeurd. De voertuigverplichtingen lopen gewoon door. Schadekeuring Om weer met het voertuig op de weg te mogen rijden, moet u de auto laten repareren en daarna laten keuren bij de RDW. Uw auto krijgt dan een schadekeuring. Op de dag van de keuringsafspraak bij de RDW mag u met uw auto op de openbare weg rijden. Dit geldt alleen voor de kortste route van uw huisadres naar het keuringsstation en van het keuringsstation naar uw huisadres. Bij de schadekeuring controleert de RDW of de schade deugdelijk is gerepareerd en doet de RDW een meting om de maten van de carrosserie te vergelijken met de oorspronkelijke fabrieksgegevens. De RDW controleert ook de wieluitlijning. Hiervoor moet u alle beplating aan de onderkant van de auto verwijderen. Heeft uw auto aanzienlijke schade gehad dan is het verstandig om vóór de keuring de uitlijning te (laten) controleren en zo nodig te (laten) corrigeren. Waar kunt u terecht voor een schadekeuring Een auto tot en met 3500 kg kunt u alleen laten keuren bij de RDW-keuringsstations in Amsterdam, Arnhem, Den Bosch, Elsloo, Veldhoven, Zwijndrecht of Zwolle. Deze keuringsstations hebben de juiste apparatuur om uw auto te keuren. Afspraak maken voor schadekeuring Hier leest u wat u moet doen om na reparatie van de schade weer te mogen rijden: Ga naar Keuringsafspraak maken en maak online een keuringsafspraak. Kies bij ‘selecteer uw keuring’ voor ‘Schadekeuring’. U betaalt de kosten contant of met pin op het keuringsstation. Uw auto wordt gekeurd op technische eisen. Als de auto is goedgekeurd, beëindigt de RDW de zogenoemde ‘Wachten op keuren’ (WOK)-melding in het kentekenregister. Zodra deze melding is verwijderd in het register mag u weer met de auto rijden, niet eerder. U ontvangt een brief van de RDW met de bevestiging dat u weer mag rijden. U kunt dit zelf ook bekijken door uw kenteken in te voeren in de RDW-dienst ‘Voertuiggegevens opvragen’. Het bestaande kentekenbewijs is weer geldig. Als er ook een wijziging aan het voertuig is, van een item dat op de kentekencard staat bijvoorbeeld een kleurwijziging, dan ontvangt u ook een nieuwe kentekencard. Ook APK De RDW keurt uw auto niet automatisch voor de APK. Als u uw auto ook direct voor de APK wilt laten keuren, dan moet u dit duidelijk aangeven als u de afspraak maakt. Hieraan zijn extra kosten verbonden. Kosten De kosten die u op het keuringsstation betaalt zijn de kosten voor de schadekeuring. Laat u ook een APK doen, dan komen die kosten erbij. Auto’s met een gewicht t/m 3500 kg: Omschrijving 2018 2019 Schadekeuring voertuig licht €42,00 €42,00 Herafgifte/activering KB voertuig licht €64,00 €64,00 Periodieke keuring APK voertuig licht €57,00 €57,00

Uitleg van begrip essentiële gebreken die beletten BPM-aangifte te doen

17-11-2015 bron: navigator.nl (uitspraak)

Hof Amsterdam oordeelt in hoger beroep dat de heer X vrij was om de onderhavige aangifte te doen, dus voordat alle gebreken aan de auto waren verholpen. X maakt de door hem gestelde omvang van de schade echter niet aannemelijk.

Klik hier voor meer informatie

In geschil is of de auto op het moment van de aangifte BPM essentiële gebreken vertoonde in de zin van artikel 8, lid 4, Uitvoeringsregeling BPM en of de vermindering als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet BPM pas kan worden toegepast als de gebreken zijn hersteld. Het Hof oordeelt dat alleen sprake kan zijn van essentiële gebreken als de auto bestemd is voor sloop of wacht op keuring (WOK-status) hetgeen in casu niet het geval is. Er bestaat geen wettelijke belemmering om voor de auto de afschrijving door middel van een taxatie toe te passen. De inspecteur heeft de voorgestane waarde in onbeschadigde staat aannemelijk gemaakt. Ook het, op het moment van de registratie van de auto, in mindering te brengen schadebedrag is met het ingebrachte taxatierapport aannemelijk gemaakt. Aldus heeft de inspecteur de BPM niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.

Geen cassatie mogelijk op uitspraak Hof “begrip essentiële gebreken die beletten BPM-aangifte te doen”

30-9-2016 bron: uitspraken.nl

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Cassatie (Hoge raad) BPM. Art. 10, lid 2, Wet BPM. Art. 110 VWEU. Wettelijke bepaling over afschrijvingsgrondslag voor gebruikte auto’s in strijd met Europees recht.

Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat artikel 110 VWEU zich verzet, tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten, dat een ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting, die nog rust op de waarde van de gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto (hierna: de referentieauto).

Klik hier voor meer informatie

Uitspraak 2 maart 2012 nr. 11/00785 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 11 januari 2011, nr. AWB 10/03323, betreffende een door X Beheer B.V. te Z (hierna: belanghebbende) op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. 1. Het geding in feitelijke instantie Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen. De Rechtbank heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en het bedrag van de terug te geven BPM vastgesteld op € 5529. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Belanghebbende heeft op 11 juni 2010 een gebruikte, vanuit Duitsland naar Nederland overgebrachte, personenauto (hierna: de auto) doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. In verband met die registratie heeft zij voor de auto een bedrag aan BPM op aangifte voldaan. Bij de berekening van de verschuldigde BPM is belanghebbende uitgegaan van het feit dat de auto niet meer in nieuwe staat was. Zij heeft daarom op grond van artikel 10, lid 1, van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) een belastingvermindering in aanmerking genomen. De hoogte van deze belastingvermindering heeft belanghebbende berekend met inachtneming van het bepaalde in artikel 10, lid 2, van de Wet in verbinding met artikel 8, lid 1, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling). 3.2. Voor de Rechtbank was in geschil het antwoord op de vraag of de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering van de maatstaf van heffing voor gebruikte personenauto’s moet worden berekend volgens de daartoe in artikel 10, lid 2, van de Wet in verbinding met artikel 8, lid 1, van de Uitvoeringsregeling neergelegde berekeningswijze. De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, omdat naar haar oordeel deze berekeningswijze in strijd is met artikel 110 VWEU. Naar het oordeel van de Rechtbank moet de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering worden berekend door de inkoopwaarde van de auto in gebruikte staat af te zetten tegen de consumentenprijs van een vergelijkbare auto in nieuwstaat. Tegen deze oordelen richt zich het middel. 3.3. Ingevolge artikel 10, lid 2, van de Wet wordt de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering gevormd door de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. In artikel 8 van de Uitvoeringsregeling is uitvoering gegeven aan de in artikel 10, lid 2, van de Wet opgenomen mogelijkheid regels te stellen met betrekking tot de wijze waarop de hiervoor bedoelde inkoopwaarde in Nederland en de op deze waarde gebaseerde afschrijving kunnen worden vastgesteld. Volgens deze regeling kan de inkoopwaarde worden vastgesteld door de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet, en de belasting op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen te verminderen met € 500 en vervolgens te vermenigvuldigen met 0,88. 3.4. Het middel betoogt dat de wetgever met het bepaalde in artikel 10, lid 2, van de Wet heeft beoogd uitvoering te geven aan hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arresten van 10 juli 2009, nr. 07/11237, LJN BJ1971, BNB 2009/273, alsmede nr. 43873, LJN BJ2012, V-N 2009/33.24, en van 5 maart 2010, nr. 09/02339, LJN BL6455, BNB 2010/154. Uit die arresten volgt – aldus het middel – dat bij de berekening van de BPM die rust op reeds in Nederland geregistreerde, vergelijkbare motorrijtuigen, de marge die een handelaar bij de in- en verkoop van motorrijtuigen heeft gerealiseerd buiten beschouwing moet worden gelaten. Die jurisprudentie brengt mee dat voor de berekening van de afschrijving van de BPM in overeenstemming met de waardedaling van een auto niet alleen de marge van de handelaar bij wederverkoop van de gebruikte auto buiten beschouwing moet worden gelaten, maar – anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld – ook de marge van de handelaar van de te vergelijken auto in nieuwe staat bij verkoop aan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Alleen door de inkoopwaarde van een motorrijtuig in gebruikte staat af te zetten tegen de inkoopwaarde van ongebruikte, nieuwe motorrijtuigen, wordt – aldus nog steeds het middel – recht gedaan aan het uitgangspunt dat de vermindering van de BPM zich in alle gevallen evenredig laat bepalen door de mate van afschrijving van de auto bezien vanuit het perspectief van de eerste koper of kentekenhouder. Het middel voert in dit verband aan dat daarmee tevens wordt voorkomen dat – zoals dat het geval is bij de door de Rechtbank voorgestane berekeningswijze – op in het binnenland gekochte auto’s in het algemeen meer BPM drukt dan op een gelijksoortige, geïmporteerde auto, zodat van de vereiste fiscale neutraliteit geen sprake meer is. 3.5.1. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat artikel 110 VWEU zich verzet tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van de gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto (hierna: de referentieauto). 3.5.2. In de hiervoor in 3.4 vermelde arresten stond centraal een berekening van het voor de referentieauto resterende bedrag aan BPM waarbij – in cassatie onbestreden – tot uitgangspunt was genomen een vermindering van het bedrag aan BPM dat op basis van de catalogusprijs (verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting) bedoeld in artikel 9, lid 4, van de Wet is verschuldigd. Uitgaande van die prijs en van het daarop gebaseerde verschuldigde bedrag aan BPM diende in die gevallen met het oog op de berekening van het resterende bedrag aan BPM de afschrijving van de waarde van de referentieauto te worden bepaald. Uit de hiervoor bedoelde arresten volgt, anders dan het middel betoogt, niet dat bij de berekening van het bedrag aan BPM dat nog rust op de referentieauto, ook de marge die handelaren realiseren bij de verkoop van motorrijtuigen in nieuwe staat buiten beschouwing moet worden gelaten. 3.5.3. De wetgever heeft met ingang van 1 januari 2010 gekozen voor een andere wijze van berekening van de vermindering van BPM. Daarbij is – anders dan daarvoor – tot uitgangspunt genomen de inkoopwaarde die geldt voor de handelaar die een vergelijkbaar motorrijtuig in nieuwe staat heeft verkocht, op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. Bij deze wijze van berekening is niet uitgesloten dat een ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen is onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de referentieauto. Zoals ook de wetgever tot uitgangspunt neemt, moet ervan worden uitgegaan dat het bedrag van de BPM na de registratie van een ongebruikte auto in gelijke mate daalt als de waarde in het economische verkeer van de referentieauto. Het uitgangspunt is aldus de vermindering van het bedrag aan BPM dat is begrepen in de waarde van de referentieauto op het moment dat deze auto met het oog op het eerste gebruik in Nederland is geregistreerd. Deze waarde is gelijk te stellen aan de prijs – waarin de BPM dus is begrepen – waarvoor de referentieauto op dat tijdstip van een onafhankelijke derde zou zijn aangeschaft. Op grond van dit een en ander moet voor de berekening van de waardedaling van de referentieauto worden uitgegaan van enerzijds de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat is aangekocht (en bij welke prijsvorming rekening wordt gehouden met het wettelijk verschuldigde bedrag aan BPM ter zake van de registratie als ongebruikte auto) en van anderzijds de prijs waarvoor die auto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde BPM moet worden bepaald, wordt verkocht. De hiervoor bedoelde aankoopprijs is over het algemeen niet gelijk aan de inkoopprijs van de handelaar die de referentieauto in nieuwe staat heeft verkocht. Derhalve sluit de hiervoor vermelde, in de wettelijke bepalingen neergelegde, wijze van berekening een door artikel 110 VWEU verboden benadeling van ingevoerde gebruikte auto’s niet uit. 3.6. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, is met het oog op de heffing van BPM voor gebruikte motorrijtuigen de in artikel 10, lid 2, van de Wet voorgeschreven vermindering van de catalogusprijs in strijd met artikel 110 VWEU en moet deze bepaling in zoverre buiten toepassing blijven. Daaraan kan – anders dan het middel betoogt – niet afdoen dat zonder deze vermindering voor (veel) andere in te voeren gebruikte auto’s minder BPM wordt betaald dan de BPM die nog rust op vergelijkbare gebruikte, in nieuwe staat in Nederland geregistreerde auto’s. Het middel faalt derhalve. 4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. 5. Beslissing De Hoge Raad: verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2012. Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 454.

Ook herstelde schade vermindert BPM-grondslag

13-6-2016 bron: taxence.nl (uitspraak)

Beschadigingen hebben een waardedrukkend effect op de waarde van een auto en verlagen daardoor de BPM-grondslag. Volgens Rechtbank Gelderland verlaagt schade die voor de registratie is hersteld ook de BPM-grondslag.

Klik hier voor meer informatie

In een beroep van een bv tegen een naheffingsaanslag BPM had de inspecteur het standpunt ingenomen dat hij geen rekening hoefde te houden met schade als deze vóór de registratie was hersteld. De rechtbank stelde dat deze redenering botste met de waarborgen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de EU. De rechtbank wees erop dat het bedrag aan BPM dat rust op een beschadigde auto die zich al in Nederland bevindt, evenredig wordt verminderd met de waarde in het economische verkeer van de auto. Als een handelaar een auto met schade koopt in Nederland, herstelt en vervolgens op naam stelt, volgt geen BPM-naheffing. De kosten voor de handelaar bestaan dan alleen uit de aanschafwaarde van de auto (inclusief het lage bedrag aan BPM) en de herstelkosten. Koopt de handelaar een identieke auto op de buitenlandse markt, dan moet men uitgaan van hetzelfde lage BPM-bedrag om marktverstoring te voorkomen. En dus moet men rekening houden met de waardevermindering die is opgetreden door de schade, aldus de rechtbank. Overigens verklaarde de rechter het beroep van de bv ongegrond omdat de bv de waarde die zij had gehanteerd niet kon onderbouwen