Een taxatierapport mag de BPM alleen verlagen als het voldoet aan de Uitvoeringsregeling BPM (UR) en Bijlage I daarbij. Deze pagina zet op een rij wat de UR van u als BPM-taxateur vraagt, hoe u ernaar handelt en wat er aankomt. Onderaan staat de volledige geldende tekst, doorzoekbaar.
De UR is een ministeriële regeling van de Staatssecretaris van Financiën onder de Wet BPM 1992. Waar de wet zegt dat een taxatierapport moet voldoen aan "bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden", vult de UR die voorwaarden in. De officiële naam is Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (BWBR0005813). De tekst die nu geldt, is van kracht sinds 01-01-2026.
Voor de BPM-taxateur tellen drie onderdelen:
De UR wordt meestal eens per jaar gewijzigd, in december, met ingang van 1 januari. Dat gebeurt vaak via de Eindejaarsregeling in de Staatscourant.
| Regel | Wat er staat |
|---|---|
| Art. 10 lid 2 Wet BPM | Het afschrijvingsmoment is het tijdstip waarop het RDW-onderzoek dat tot de inschrijving leidt is afgerond. |
| Art. 10 lid 7 Wet BPM | Afschrijving met de taxatiewaarde uit een taxatierapport dat voldoet aan voorwaarden bij ministeriële regeling, als de auto op dat moment (a) meer dan normale gebruiksschade heeft of niet in een koerslijst voorkomt, en (b) voldoet aan de eisen waardoor hij op de weg mag rijden. |
| Art. 10 lid 8 Wet BPM | Bij de aangifte geeft u de gegevens op waarmee de afschrijving is bepaald. Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt en ook niet op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen later niet alsnog worden gebruikt om de afschrijving te wijzigen. |
| Art. 8 lid 3 UR | Alleen taxatiewaarde als de auto voldoet aan hoofdstuk 5 en 7 Regeling voertuigen. |
| Art. 8 lid 4 UR | Rapport volgens Bijlage I, onafhankelijke en erkende taxateur, opname ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment. |
| Bijlage I UR | De inhoud van het rapport, onderdeel 1.1 tot en met 3.6. |
De Hoge Raad trekt daar de conclusie uit dat het rapport bij de aangifte op orde moet zijn:
"Toepassing van de taxatiemethode kan volgens de Wet alleen aan de orde zijn wanneer de belastingplichtige al bij het doen van de aangifte voor die methode heeft gekozen, onder overlegging van een taxatierapport dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling en bijlage I bij de Uitvoeringsregeling."
Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.3.4
In dezelfde overweging: een rapport dat niet berust op een fysieke opname voor de registratie "kan namelijk binnen de opzet van de Wet niet dienen" voor de vaststelling van de waarde.
| Onderdeel | Wat de regeling eist | Wat dat van u vraagt |
|---|---|---|
| 1.1 | Naam, voorletters, adres, woonplaats en telefoonnummer van de taxateur die de taxatie feitelijk deed, plus de taxatiebrancheorganisatie; zo nodig ook de bedrijfsgegevens. | Wie de auto opnam, ondertekent. Geen rapport op naam van een collega. |
| 1.2 | Datum, begintijd en eindtijd van de fysieke opname. | Echte tijden. De tijdstempels van de foto's vallen binnen dat venster. |
| 1.3 | Verklaring dat de waarde naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname. | Alleen tekenen als u de auto zelf en volledig hebt gezien. |
| 2.1 en 2.2 | VIN, merk, bouwjaar, model, uitvoering, brandstof, transmissie, vermogen, CO2, datum eerste toelating, massa's en kilometerstand. | Overnemen van de auto en de documenten, niet uit het hoofd. |
| 2.3 | Of de auto bij de opname meer dan normale gebruiksschade heeft of niet in een koerslijst voorkomt, en of hij voldoet aan hoofdstuk 5 of 7 Regeling voertuigen. | Beide vragen uitdrukkelijk beantwoorden, voor de auto als geheel. |
| 2.4 | Per schadepost: is het meer dan normale gebruiksschade, en wordt voldaan aan hoofdstuk 5 of 7 Regeling voertuigen. | Dezelfde twee vragen, nu per post. Een post die een essentieel gebrek is, eerst laten herstellen. |
| 2.5 | Algemene indruk: technische staat, onderstel, carrosserie, interieur en banden. | Elk van die vijf benoemen. |
| 2.6 | Foto's: diagonaal linksvoor en rechtsachter, dashboard met kilometerstand, meeruitvoeringen, accessoires, voorstoelen, chassisnummer, velgen en bandenmaat. | Deze set altijd, plus elke schadepost zodat die op de auto is terug te vinden. |
| 3.1 | Consumentenprijs op de datum van eerste toelating, met apart de standaarduitrusting, accessoires en pakketten. | Herleidbaar opbouwen. |
| 3.2 tot 3.4 | Handelsinkoopwaarde van 3 tot 5 vergelijkbare referentieauto's en een gemotiveerde uitgangswaarde. | Referenties kiezen op model, leeftijd, kilometerstand en kenmerken, en de keuze uitleggen. |
| 3.5 | Waardevermindering door schade is 31% van de getaxeerde herstelkosten, behoudens tegenbewijs. Tegenbewijs mag niet in algemene zin gaan over segment, leeftijd of kilometrage. | Hoger dan 31% alleen met concreet, op deze auto toegesneden bewijs in het rapport. |
| 3.6 | Inkoopfactuur (bij aankoop van een ondernemer) of inkoopverklaring (bij aankoop van een particulier). | Bij het rapport, op het moment van de aangifte. |
De volledige tekst van elk onderdeel staat onderaan in de doorzoekbare UR.
Wat hieronder staat, volgt rechtstreeks uit de wet, de UR en Bijlage I. Waar rechters van mening verschillen, kiest ROTA de strengste lijn.
Bij een hertaxatie loopt DRZ de schadeposten uit het rapport na. Vindt DRZ ze niet, dan volgt een vaste formule. Het Gerechtshof Den Haag gaf die zo weer:
"In het rapport van DRZ is opgenomen dat alle (in het taxatierapport van belanghebbende) opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen of als gebruikersschade kunnen worden aangemerkt."
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:2865, r.o. 5.2
De Behandelinstructie Naheffen van de Belastingdienst (openbaar via de Woo) noemt drie redenen waarom DRZ geen schade vindt, en het gevolg:
"Bevindt DRZ geen schade: doordat reeds uitgevoerde reparaties hebben plaatsgevonden of de opgevoerde schade door de taxateur wordt gezien als normale gebruiksschade of er zijn essentiële gebreken bevonden aan het motorrijtuig (zie Hoofdstuk 8)."
"Wordt er geen schade bevonden, dan is het niet toegestaan te rekenen met referentiemotorrijtuigen. Reken hierbij ten alle tijden met de koerslijst, tenzij de forfaitaire afschrijvingstabel voordeliger is."
Belastingdienst, Behandelinstructie Naheffen (Woo-besluit)
| Reden van DRZ | Wat u per post in het rapport vastlegt |
|---|---|
| Al hersteld | De schade is er op het moment van de opname, met foto en plek op de auto. |
| Normale gebruiksschade | Eerste verklaring van onderdeel 2.4: meer dan normale gebruiksschade, met een korte reden. |
| Essentieel gebrek | Tweede verklaring van onderdeel 2.4: voldoet aan hoofdstuk 5 of 7 Regeling voertuigen. Zo niet, eerst herstellen. |
Twee uitspraken uit 2026 gebruiken dezelfde zin:
"In beide gevallen (de auto was hetzij hersteld dan wel had dusdanige gebreken, dat deelname aan het verkeer onmogelijk was) is sprake van een onjuiste aangifte."
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:877, r.o. 5.5, en Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2026:6695, r.o. 4.5
Er is dan geen uitweg. Is de post hersteld, dan geeft het rapport de staat van de auto niet weer. Is hij niet hersteld en is het een essentieel gebrek, dan mag de taxatiemethode niet.
Stichting ROTA volgt de officiële publicaties, de Tweede Kamer en internetconsultatie.nl. Komt er een nieuwe of gewijzigde UR aan, dan wordt deze pagina bijgewerkt.
Eindejaarsregeling 2024 (Stcrt. 2024, 41523). Het gaat om de laadruimte van bestelauto's en om motorrijwielen; de fiscaliteit sluit dan aan bij de voertuigcategorieën in het kentekenregister. Artikel 8 en Bijlage I veranderen hierdoor niet.
Internetconsultatie van 11-04-2025 tot en met 25-05-2025, gesloten. Op 10-10-2026 niet vastgesteld. Voorgesteld: transparantere koerslijsten, de inkoopprijs als mogelijke waarde, en een taxatiewaarde die niet lager mag zijn dan de inkoopprijs tenzij u aantoont waarom dat terecht is.
De staatssecretaris schrijft dat een voorstel zich richt op "beperking van bestaande problematiek binnen de BPM, in het bijzonder de waarderingsdiscussies bij taxaties". De mogelijkheden worden ambtelijk verkend; de Kamer wordt voor het einde van 2026 geïnformeerd (Kamerbrief van 10-08-2026, aan de Kamer gezonden op 01-09-2026).
Met de Kamerbrief van 03-11-2025 ging een conceptregeling digitalisering BPM mee, met uitvoeringstoetsen van Belastingdienst en RDW. Op 10-10-2026 is daarvan geen vastgestelde regeling in de Staatscourant gevonden.
De Belastingdienst controleert intensiever of taxatierapporten aan de wettelijke vereisten voldoen. Volgens de staatssecretaris werd in de eerste weken gemiddeld ruim € 3.000 aan BPM-vermindering per gecontroleerde aangifte voorkomen. Jaarlijks worden circa 130.000 aangiften BPM met een taxatierapport ingediend.
Een wijziging van de UR verschijnt meestal in december, met de Eindejaarsregeling. Op 10-10-2026 is er geen nieuwe wijziging van artikel 8 of Bijlage I gepubliceerd.
| Wijzigingsregeling | Wat er voor de taxateur veranderde |
|---|---|
| Stcrt. 2021, 48636 | Geldt sinds 01-01-2022. Artikel 8 lid 3: de auto moet voldoen aan hoofdstuk 5 en 7 Regeling voertuigen, en dat kan blijken uit de aangifte of het taxatierapport. Artikel 8 lid 4 onder b: fysieke opname ten hoogste een maand voor het afschrijvingsmoment. Bijlage I: onderdeel 2.3 opnieuw vastgesteld en onderdeel 2.4 (twee verklaringen per schadepost) ingevoegd. |
| Stcrt. 2022, 33377 | Artikel 8 lid 4: gegevens die niet in het taxatierapport staan en ook niet door of op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, tellen niet mee voor de taxatiewaarde. Bijlage I: in 1.1 de taxatiebrancheorganisatie in plaats van een certificaatnummer, 3.5 opnieuw vastgesteld (31%, tegenbewijs, niet in algemene zin over segment, leeftijd of kilometrage), en in 3.6 de inkoopverklaring van artikel 4a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. |
| Stcrt. 2023, 34571 | Artikel 8 lid 8: wat "tonen" van de auto inhoudt (aangewezen opnameplaats, wielen op de grond, zonder vervuiling, sleutel erbij). Bijlage I, 3.5: "inclusief" werd "vermeerderd met" de in Nederland verschuldigde bpm en btw. |
| Stcrt. 2024, 41523 | Artikel 2 en 4 vervallen per 01-01-2027 (bestelauto's en motorrijwielen). Geen wijziging voor het taxatierapport. |
| Stcrt. 2025, 42873 | Alleen verwijzingen naar de vernummerde leden van artikel 10 Wet BPM aangepast. |
Volledige tekst, geldend vanaf 01-01-2026, uit de officiële bron van wetten.overheid.nl. Typ een woord; alleen de artikelen met een treffer blijven staan.
1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 3, zesde lid, 4, tweede lid, 8, 9, dertiende en veertiende lid, 10, vijfde, zevende en negende lid, 10a, eerste lid, 10c, eerste en derde lid, 14a, vierde en zesde lid, 14b, zevende lid, 15a, zevende en dertiende lid, en 17, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
2. Deze regeling verstaat onder:
1. De laadruimte voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de lengte en de hoogte indien deze in gesloten toestand een rechthoekig, rechtop geplaatst blok kan bevatten waarvan de lengte, de hoogte en de breedte ten minste gelijk zijn aan de in artikel 3 van de wet voor de desbetreffende laadruimte genoemde afmetingen, en waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig. Voor de toepassing van deze bepaling worden, indien de laadruimte niet van de bestuurderszitplaats is afgescheiden door een vaste wand, de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder in de achterste stand geplaatst. Voor de toepassing van dit lid wordt, ingeval de open laadbak van een motorrijtuig van het type pick-up is voorzien van een al dan niet eenvoudig te demonteren overkapping, de laadruimte in aanmerking genomen met gesloten overkapping, tenzij deze overkapping slechts bestaat uit een platte deksel die direct op de opstaande zijkanten van de laadbak is geplaatst.
2. Het verschil in hoogte tussen de cabine en de laadruimte is de verticale afstand tussen het denkbeeldige horizontale vlak waarin de beide hoogste punten van de dagopening van de deuren bij de voorzitplaatsen zijn gelegen, en het hoogste gedeelte van het dak van de laadruimte, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.
3. De hoogte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de grootste afstand tussen vloer en dak van de cabine, gemeten over een breedte van ten minste 20 cm.
4. De lengte van de cabine van een motorrijtuig met een dubbele cabine is de evenwijdig aan de lengte-as van het desbetreffende motorrijtuig gemeten afstand tussen het achterste punt van het stuurwiel en de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt.
5. De lengte van de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig.
6. De lengte die de laadruimte van een motorrijtuig met een dubbele cabine zou hebben indien de zitruimte achter de bestuurder zou ontbreken, is gelijk aan de lengte van het langste rechthoekige, rechtop geplaatste blok met een hoogte van 130 cm en een breedte van 20 cm dat de laadruimte in gesloten toestand kan bevatten, waarvan de lengte-as evenwijdig is aan die van het desbetreffende motorrijtuig, en waarbij er voor het nemen van de maat van wordt uitgegaan dat die laadruimte van de cabine is gescheiden door middel van een 115 cm achter het achterste punt van het stuurwiel geplaatste vaste wand.
7. De hoogte van de vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, is de afstand tussen het laagste punt van de bovenzijde van de wand en het hoogste punt van de laadvloer.
8. De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt, dient verticaal en in een hoek van 90° ten opzichte van de lengte-as te zijn geplaatst en wel:
9. In afwijking in zoverre van het achtste lid, onderdeel b, wordt, indien een deel van de cabine van een motorrijtuig met dubbele cabine bij de laadruimte wordt betrokken waardoor de vaste wand niet geheel in een hoek van 90° ten opzichte van de lengteas is geplaatst, voor het meten van de afstanden genoemd in dit artikel uitgegaan van de plaats van het meest naar achteren gelegen bevestigingspunt van de aanwezige wand.
10. De vaste wand die de cabine van de laadruimte scheidt dient:
mits deze voorzieningen niet groter zijn dan voor het specifieke doel noodzakelijk.
11. Een laadruimte is niet voorzien van zijruiten indien de zijruiten geheel zijn verwijderd en zijn vervangen door niet uit glas bestaande panelen uit één stuk van ondoorzichtig en vormvast materiaal. De panelen dienen zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.
12. De laadruimte dient in haar geheel te zijn voorzien van een vaste, vlakke laadvloer. De laadvloer dient zoveel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie te zijn verbonden.
Vervallen.
Met motorrijwielen worden gelijkgesteld motorrijtuigen die:
Vervallen
1. De toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet wordt verleend aan een ondernemer die een zodanige administratie voert dat daarin naar het oordeel van de inspecteur op duidelijke en overzichtelijke wijze alle voor de heffing van de belasting van belang zijnde gegevens zijn opgenomen. De inspecteur kan ter zake nadere voorwaarden en beperkingen stellen, waarbij de toestemming voor gebruikte motorrijtuigen kan worden beperkt tot motorrijtuigen waarvoor de vermindering ingevolge artikel 10, eerste lid, van de wet, wordt vastgesteld op de voet van artikel 10, vijfde lid, van de wet.
2. De administratie dient in ieder geval te bevatten de regelmatige aantekening van de tijdstippen van het afschrijvingsmoment, de inschrijving en de tenaamstelling van ieder motorrijtuig.
3. De inspecteur kan aan degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet is verleend de verplichting opleggen de motorrijtuigen waarvoor inschrijving in het kentekenregister is verzocht, te tonen op een door de inspecteur aan te wijzen plaats. Onder tonen wordt in ieder geval verstaan dat het motorrijtuig wordt geplaatst op de door of namens de inspecteur aangewezen opnameplaats met de wielen op de grond, zonder vervuilingen aan het motorrijtuig die een goede opname in de weg kunnen staan, en dat de sleutel wordt verstrekt om het motorrijtuig te ontsluiten en te starten.
4. Indien niet wordt voldaan aan het in het eerste, tweede of derde lid bepaalde, kan de inspecteur de toestemming als bedoeld in artikel 8, van de wet bij voor bezwaar vatbare beschikking weigeren of intrekken.
1. Voor de toepassing van artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wet blijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.
2. Indien de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer niet blijkt uit het kentekenregister blijkt de CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
3. De CO2-uitstoot is nihil wanneer uit het kentekenregister blijkt dat de personenauto of bestelauto is ingericht en bestemd om uitsluitend te worden aangedreven door een elektromotor waarbij de elektrische energie uitsluitend door een batterij of door een brandstofcel wordt geleverd, of door een verbrandingsmotor die kan worden gevoed met waterstof.
Een motorrijtuig wordt in ieder geval als gebruikt aangemerkt indien dat motorrijtuig 3.000 kilometer of meer heeft afgelegd.
1. De afschrijving bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet bedraagt met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen of bestelauto’s als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet:
2. De afschrijving bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, met betrekking tot personenauto's als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de wet bedraagt 1,5 percent per maand die is verstreken na het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst als zodanig in gebruik is genomen, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.
3. De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde worden bepaald indien het motorrijtuig voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, waardoor met het motorrijtuig kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer. Aan deze eisen is in ieder geval niet voldaan indien:
4. De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde of op basis van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland worden bepaald, indien de opgaaf, bedoeld in artikel 10, achtste lid, van de wet, bestaat uit:
Bij het doen van de opgaaf wordt slechts gebruikgemaakt van de gegevens van niet meer dan één koerslijst als bedoeld onder a. Gegevens die niet zijn opgenomen in een taxatierapport dat is opgemaakt door een onafhankelijke en-, erkende taxateur, of niet door of op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen door of namens de belastingplichtige niet worden betrokken bij de taxatiewaarde.
5. Bij toepassing van de artikel 10, vijfde lid en 10a, eerste lid, van de wet is de afschrijving, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet, een percentage van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en derde lid, van de wet, welk percentage is aangegeven in de navolgende tabel. Het vierde lid blijft in dat geval buiten toepassing.
| Indien sinds het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen een periode is verstreken van ten minste | maar minder dan | is het percentage | en voor iedere maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken sinds de in de eerste kolom bedoelde periode vermeerderd met |
|---|---|---|---|
| 0 dagen | 1 maand | 0 | 12 |
| 1 maand | 3 maanden | 12 | 4 |
| 3 maanden | 5 maanden | 20 | 3,5 |
| 5 maanden | 9 maanden | 27 | 1,5 |
| 9 maanden | 1 jaar en 6 maanden | 33 | 1 |
| 1 jaar en 6 maanden | 2 jaar en 6 maanden | 42 | 0,75 |
| 2 jaar en 6 maanden | 3 jaar en 6 maanden | 51 | 0,50 |
| 3 jaar en 6 maanden | 4 jaar en 6 maanden | 57 | 0,42 |
| 4 jaar en 6 maanden | 5 jaar en 6 maanden | 62 | 0,42 |
| 5 jaar en 6 maanden | 6 jaar en 6 maanden | 67 | 0,42 |
| 6 jaar en 6 maanden | 7 jaar en 6 maanden | 72 | 0,25 |
| 7 jaar en 6 maanden | 8 jaar en 6 maanden | 75 | 0,25 |
| 8 jaar en 6 maanden | 9 jaar en 6 maanden | 78 | 0,25 |
| 9 jaar en 6 maanden | 81 | 0,19 |
6. Bij toepassing van artikel 10, vijfde lid, van de wet, is de vermindering ten hoogste het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en derde lid, van de wet.
7. In afwijking van het eerste lid en het tweede lid wordt de afschrijving vastgesteld aan de hand van de in het vijfde lid opgenomen tabel, indien daarop een beroep wordt gedaan in het aangiftebiljet.
8. De inspecteur kan vanaf het afschrijvingsmoment tot en met uiterlijk de zesde werkdag na de dag van het afschrijvingsmoment besluiten dat het motorrijtuig zo spoedig mogelijk moet worden getoond in dezelfde staat als waarin het motorrijtuig verkeerde op het afschrijvingsmoment op een door de inspecteur aan te wijzen plaats en tijdstip. Indien de betaling van de belasting op aangifte na het afschrijvingsmoment plaatsvindt, kan de inspecteur hiertoe besluiten vanaf het afschrijvingsmoment tot en met uiterlijk de zesde werkdag na de dag waarop de betaling is ontvangen door de ontvanger. Totdat het motorrijtuig is getoond, is niet gebleken dat de ter zake van het motorrijtuig verschuldigde belastingen en rechten zijn voldaan als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994. Onder tonen wordt in ieder geval verstaan dat het motorrijtuig wordt geplaatst op de door of namens de inspecteur aangewezen opnameplaats met de wielen op de grond, zonder vervuilingen aan het motorrijtuig die een goede opname in de weg kunnen staan, en dat de sleutel wordt verstrekt om het motorrijtuig te ontsluiten en te starten.
9. Indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan kennelijk geheel of gedeeltelijk niet is betaald, blijkt in ieder geval niet eerder dan nadat de naheffingsaanslag in zijn geheel is betaald dat de ter zake van het motorrijtuig verschuldigde belastingen en rechten als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn voldaan.
10. De vermindering van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, is een percentage van het belastingbedrag, zoals aangegeven in de tabel opgenomen in het vijfde lid.
1. Voor de toepassing van de vermindering van de verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, van de wet, worden bij de voldoening op aangifte van de voor het motorrijtuig verschuldigde belasting op verzoek van de inspecteur nadere gegevens overgelegd die naar zijn oordeel van belang zijn voor een juiste vaststelling van de vermindering.
2. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 8d, eerste, tweede en vierde lid, met dien verstande, dat de vermindering wordt vastgesteld aan de hand van de tijdsduur die is verstreken tussen het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen in de hoedanigheid waarin het eerder in de heffing van de belasting is betrokken, en het tijdstip dat bepalend is voor de hoogte van de belasting die voor het motorrijtuig opnieuw is verschuldigd.
3. Ingeval voor het motorrijtuig teruggaaf van de eerder betaalde belasting is verleend, wordt de vermindering alleen toegepast voor zover de eerder teruggegeven belasting op een later tijdstip alsnog als verschuldigde belasting is voldaan.
Vervallen
Vervallen
1. De vermindering van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de wet, is de som van de percentages die ingevolge de navolgende tabel van toepassing zijn voor elke maand die geheel of gedeeltelijk is verstreken tussen het tijdstip dat bepalend was voor de hoogte van de belasting en het tijdstip waarop de omstandigheid, bedoeld in artikel 14a, eerste of tweede lid, van de wet, zich voordoet, toegepast op het belastingbedrag, bedoeld in artikel 9, eerste en derde lid, van de wet.
| Indien bij aanvang van een maand een tijdsduur is verstreken sinds het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen van ten minste | maar minder dan | is het percentage voor die maand |
|---|---|---|
| 0 dagen | 1 maand | 12 |
| 1 maand | 3 maanden | 4 |
| 3 maanden | 5 maanden | 3,5 |
| 5 maanden | 9 maanden | 1,5 |
| 9 maanden | 1 jaar en 6 maanden | 1 |
| 1 jaar en 6 maanden | 2 jaar en 6 maanden | 0,75 |
| 2 jaar en 6 maanden | 3 jaar en 6 maanden | 0,50 |
| 3 jaar en 6 maanden | 4 jaar en 6 maanden | 0,42 |
| 4 jaar en 6 maanden | 5 jaar en 6 maanden | 0,42 |
| 5 jaar en 6 maanden | 6 jaar en 6 maanden | 0,42 |
| 6 jaar en 6 maanden | 7 jaar en 6 maanden | 0,25 |
| 7 jaar en 6 maanden | 8 jaar en 6 maanden | 0,25 |
| 8 jaar en 6 maanden | 9 jaar en 6 maanden | 0,25 |
| 9 jaar en 6 maanden | 0,19 |
2. Indien sinds het tijdstip van eerste tenaamstelling in het kentekenregister, dan wel indien de belasting is geheven voor een gebruikt motorrijtuig het afschrijvingsmoment minder dan drie maanden zijn verstreken, wordt de vermindering voor een nog niet verstreken maand in afwijking van het eerste lid naar tijdsgelang per dag berekend, waarbij de vermindering per dag wordt gesteld op een dertigste deel van de vermindering voor die maand ingevolge de tabel.
3. De vermindering van het belastingbedrag, bedoeld in artikel 15a, zevende lid, van de wet, is een percentage van het belastingbedrag, zoals aangegeven in de tabel opgenomen in artikel 8, vijfde lid.
4. Indien de belasting voor een gebruikt motorrijtuig is geheven met toepassing van een andere vermindering dan de vermindering zoals deze voor motorrijtuigen van die leeftijd voortvloeit uit de tabel opgenomen in artikel 8, vijfde lid, wordt de teruggaaf aangepast. Voor de berekening van de teruggaaf wordt daartoe de som van de percentages, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk het percentage, bedoeld in het derde lid, toegepast op het resultaat van de volgende formule:
(geheven belasting × 100) / (100 – tabelpercentage)
Daarbij is geheven belasting de belasting die voor dat motorrijtuig met toepassing van die andere vermindering is geheven, en tabelpercentage het percentage dat van toepassing zou zijn geweest indien de belasting zou zijn geheven met toepassing van de vermindering ingevolge de tabel in artikel 8, vijfde lid.
5. Indien degene die om teruggaaf van belasting verzoekt op grond van artikel 14a, eerste of tweede lid, van de wet, ondernemer is als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, niet zijnde een ondernemer als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van die wet, kan de inspecteur goedkeuren dat bij het verzoek de overlegging van de bescheiden, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, onderdeel d, onderscheidenlijk artikel 4b, eerste lid, onderdeel d, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, achterwege blijft, onder de voorwaarde dat de ondernemer deze bescheiden bewaart in zijn administratie.
6. Bij een verzoek om teruggaaf van belasting op grond van artikel 14a, tweede lid, van de wet, wordt een kopie van het buitenlandse kentekenbewijs gevoegd.
1. Bij een verkorting of verlenging van de overeengekomen periode van terbeschikkingstelling, bedoeld in artikel 14b, tweede lid, van de wet, worden, in geval van een verkorting, bij het verzoek om teruggaaf, dan wel, in geval van een verlenging, bij de voldoening op aangifte, gegevens overgelegd waaruit de voor het motorrijtuig in totaal overeengekomen nieuwe periode van terbeschikkingstelling ondubbelzinnig blijkt. Wanneer de in de eerste volzin bedoelde gegevens niet zijn opgemaakt in de Nederlandse of Engelse taal, wordt een vertaling in één van deze talen bijgevoegd.
2. In het verzoek, dan wel bij de aangifte, bedoeld in het eerste lid, vermeldt degene aan wie het motorrijtuig ter beschikking is gesteld de nieuwe in totaal overeengekomen periode van terbeschikkingstelling en verklaart hij dat overigens geen andere afspraken zijn gemaakt met degene die het motorrijtuig aan hem ter beschikking stelt over de periode waarin het motorrijtuig tot zijn beschikking zal staan.
3. Op verzoek van de inspecteur worden aanvullende gegevens verstrekt die naar zijn oordeel noodzakelijk zijn om de nieuwe periode van terbeschikkingstelling van het motorrijtuig vast te stellen.
1. Onder een niet-opvouwbare rolstoel wordt voor de toepassing van artikel 15a van de wet mede verstaan een ander in verband met de handicap noodzakelijk hulpmiddel van een dusdanige omvang of een dusdanig gewicht, dat de gehandicapte, rekening houdend met zijn specifieke handicap, voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een bestelauto.
2. Onder een bestelauto, ingericht voor het vervoer als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de wet, wordt verstaan een bestelauto die voorzieningen bevat ten behoeve van het vervoer van een niet-opvouwbare rolstoel of het vervoer van een ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid en het gelijktijdige vervoer van de gehandicapte, zoals voorzieningen voor het met of vanuit een rolstoel of een ander hulpmiddel kunnen plaatsnemen in en verlaten van de bestelauto, voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel in de cabine op de plaats van een zitplaats, en voor het vastzetten van een rolstoel of een ander hulpmiddel zonder passagier in de laadruimte.
1. De zekerheid bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet wordt bepaald aan de hand van het bedrag van de belasting dat degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet is verleend gemiddeld per aangiftetijdvak verschuldigd is ter zake van de inschrijving of herinschrijving van motorrijtuigen.
2. De zekerheid bedraagt ten hoogste 100 percent van het in het eerste lid bedoelde bedrag met een maximum van € 9 000 000.
3. Het bedrag van de zekerheid kan door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking worden gewijzigd.
4. Degene aan wie de toestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet is verleend kan een verzoek tot verlaging van de zekerheid indienen bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.
2. Deze regeling kan worden aangehaald als: Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992.
Het taxatierapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, dient in ieder geval te voldoen aan de volgende voorwaarden:
De geciteerde tekst van wet, regeling en uitspraken is letterlijk overgenomen. De kolom "Wat dat van u vraagt", het blok "Zo handelt u als BPM-taxateur" en de tabel bij de hertaxatie geven de lijn van Stichting ROTA weer. Die lijn is op punten strenger dan de regeling zelf.